Emerging Body Language (EBL)


Emerging Body Language (EBL) is een methodiek die wordt gebruikt bij stoornissen en verstoringen op het gebied van communicatie, hechting, contact en ontwikkeling. Met name voor kinderen en volwassenen waarbij taal moeilijk ingang vindt, of bij wie de taal niet passend is bij hun gedrag is het een bruikbare methode. De methode is ontwikkeld door Marijke Rutten- Saris en Carine Heijligers en voortgekomen uit jarenlang internationaal praktijkonderzoek naar spontane lichaamstaal in multiculturele kinderopvang en beeldende therapie. Het is een lichaamsgericht methode die gebaseerd is op de universele omgang tussen verzorger en kind in de eerste vijf levensjaren, waarin specifiek wordt gekeken naar motorische patronen in het wederkerig bewegen. De eerste vijf levensjaren is de periode waarin de belangrijkste interactiestructuren ontstaan en waarbij het lichaam en lichaamstaal de belangrijkste vorm van interactie zijn. De interactiestructuren ontstaan gewoonlijk vanzelf in de dagelijkse interactie met de omgeving en is een steeds herhaaldelijk terugkerend patroon tussen verzorger en kind. Uiteindelijk ontstaan er impliciete interactiestructuren die ook in het volwassen leven het fundament zijn voor een gezonde interactie met zichzelf, de ander en de omgeving. De aanleg tot het ontwikkelen van interactiestructuren is aangeboren. Over de hele wereld ontwikkelen mensen dezelfde interactiestructuren en zijn dus universeel. De interactiestructuren zijn uniek en hebben toch een herkenbare structuur. Ze zijn altijd aanwezig tussen levende wezens en zorgen ervoor dat veiligheid ontstaat.

Wanneer er hiaten in de interactiestructuren zijn ontstaan kunnen deze met behulp van EBL hersteld of verbeterd worden, of opnieuw ontstaan om iemands kwaliteiten te benutten en competenties te vergroten. De methode EBL stelt niet het kunnen beheersen van bepaalde vaardigheden tot doel, maar het ontwikkelen van interactievaardigheden, omdat de mate waarin deze bij het individu ontwikkeld zijn bepaalt hoe iemand de wereld om hem heen tegemoet treedt. Oud gedrag wordt niet gecorrigeerd maar nieuw gedrag wordt ontlokt vanuit het oude gedrag, door meebewegen.

Er wordt niet naar het gedrag zelf gekeken maar naar de beweging waaruit het gedrag bestaat. Vanaf de conceptie ontwikkelt men afstemmingskwaliteiten, van nature zijn mensen automatisch met elkaar meebewogen. Net als in het onderzoek van Lorenz waarbij is gebleken dat gansjes die net uit het ei kwamen een aangeboren vermogen hebben om dat wat in de omgeving beweegt letterlijk te volgen, heeft een pasgeboren baby het aangeboren vermogen om vanuit zichzelf met een eigen manier mee te bewegen met de omgeving. Daarnaast wordt een baby ook bewogen door wat in de omgeving van de baby beweegt. Alle baby?s zijn extreem gevoelig voor dingen die bewegen. Het meebewogen zijn kan uitgelokt worden door zowel andere mensen, door verandering in de fysieke omgeving, bijvoorbeeld iets dat omvalt, of bewegingen in het eigen lijf, zoals ademhaling. Het vermogen tot meebewegen hebben volwassenen ook. Naast de mens hebben alle andere levende wezens het aangeboren vermogen om meebewogen te zijn met zichzelf, de ander en de omgeving. Wanneer beweging op elkaar is afgestemd, is er contact vanuit de beweging. EBL beschrijft de ontwikkeling van de interactiestructuren in vijf opeenvolgende fasen A tot en met E welke in de eerste vijf levensjaren ontstaan en op elkaar voortbouwen.

Fase A - Afstemming (0-1 jaar). De interactiestructuur afstemming ontstaat gedurende het eerste levensjaar van een kind, waarin het leert afstemmen op zichzelf, de ander, de omgeving en materiaal. Afstemming ontstaat door in elkaars ritme, kort hetzelfde te doen met ritmische pauzes. Het aangeboren vermogen tot meebewogen zijn met zijn omgeving zorgt ervoor dat de pasgeborene vanzelf in iemands ritme kan komen. Meebewogen zijn overkomt je en gebeurt nog zonder ritmische pauzes en bewustzijn van jezelf in relatie tot de ander en de omgeving. Wanneer van meebewogen zijn met de ander en de omgeving een eigen beweging ontstaat, leidt dit tot meebewegen met de ander. Dit gebeurt vanuit de persoon zelf en bewust, en kan leiden tot afstemming. Tijdens afstemmen ontstaan telkens unieke gezamenlijke ritmische structuren. In het eerste levensjaar verwerft een kind structuren van beginnen, doorgaan en ophouden in beweging en interactie.

Fase B - Beurtwisseling (1 tot 2 jaar). Beurtwisseling ontstaat tussen het eerste en tweede levensjaar van een kind. Vanuit het vermogen om te kunnen afstemmen, waarbij het kind in staat is tegelijkertijd hetzelfde te doen, leert het kind tijdens beurtwisseling in elkaars ritme te bewegen na elkaar, met ritmische pauzes. Het kind en de ander bewegen om de beurt met een element van elkaars gedrag mee, waarbij om de beurt initiatief wordt genomen tot bewegen en de bewegingen kunnen verschillen. Daarnaast vergroot het kind, tegelijkertijd met de motorische ontwikkeling ook zijn omgeving en kennis hierover. Waar de omgeving eerst op armlengte beschikbaar is, leert het kind op zijn omgeving af te gaan doordat motorische ontwikkeling zoals het leren kruipen, dit mogelijk maakt en leert een kind zijn omgeving te plaatsen in tijd en ruimte en gaat deze herkennen. Door beurtwisseling wordt het kind zich bewust iemand te zijn in relatie tot een ander. In deze fase worden vaste structuren verworven over gehelen, verschillen tussen lichaam, anderen, objecten en situaties. Daardoor kan de eigen beweging gerelateerd worden aan die van de ander, objecten en situaties.

Fase C - Uitwisseling (2 tot 3 jaar). Uitwisseling ontstaat tussen het tweede en derde levensjaar van een kind. Vanuit afstemming en beurtwisseling leert het kind tijdens de uitwisseling midden in de beurtwisseling een klein aansluitend element toevoegen, waardoor er steeds meer variatie in het gedrag ontstaat. Het kind heeft steeds meer handelingsmogelijkheden tot zijn beschikking door de ervaring die het hierin heeft opgedaan. Concrete te verwachten spelprocedures worden spelstructuren en kunnen nu op allerlei manieren geherstructureerd worden en tot nieuw spel leiden.

Fase D - Speldialoog (3 tot 4 jaar). Speldialoog ontstaat tussen het derde en vierde levensjaar van een kind. Vanuit afstemming, beurtwisseling en uitwisseling is taal gekoppeld aan het handelen. Vanuit speldialoog is er het vermogen om het spel te benoemen, er over te praten en in overleg te veranderen, taken te overzien en uit te voeren.

Fase E - Taak/ thema (4 tot 5 jaar). Taak/thema ontstaat tussen het vierde en vijfde levensjaar van een kind. Vanuit de eerdere lagen kan het kind een opgedragen taak uitvoeren en een thema toepassen.

Parallel aan de ontwikkeling van de interactiestructuren verloopt ook de motorische ontwikkeling. Interventie wordt toegepast in de fase waarin de interactiestructuur zou zijn ontstaan, gebruik makend van de interactiestructuren die al goed beheerst worden. Door af te stemmen op het gedrag van het kind waar het kind het meest vaardig is, ontstaat er contact. Afstemming is belangrijk omdat hierdoor het individu zichzelf gewaar wordt. De eerste stap in het gewaar zijn van het zelf, voltrekt zich in de eerste twee maanden van het leven van een pasgeborene. Stern (1985/2000) beschouwt deze periode als de bron van alle leren en creativiteit. Door gewaar zijn kunnen nieuwe impliciete structuren ontstaan, waardoor afstemming ook in andere situaties kan ontstaan. Verbonden aan het bestaande gedrag worden er nieuwe gedragselementen aangeboden, in een herhaald ritmisch patroon, die het kind kan herkennen en eigen kan maken. Door de ritmische pauzes krijgt het kind tijd om het aanbod te herkennen, te verwerken en zelf toe te gaan passen. Met de nieuwe gedragselementen ontstaan nieuwe interactiestructuren die vanuit het kind zelf ontstaan. Wanneer kwaliteiten vrij beschikbaar zijn, is het kunnen inzetten van deze kwaliteiten niet of minder afhankelijk van de omgeving en is generalisatie beter mogelijk.


* Bron: Rauh L. (2011)  Uitnodigen tot contact, Hoe doe je dat?